Deur naar een andere werkelijkheid / Passage to a different reality
Diana Wind / artist publication Tide / edition 1000 / NL - EN

>> Read more...

NL
Deur naar een andere werkelijkheid


Uit: Getij (Tide) / een publicatie van Marisa Rappard en Rozemarijn Westerink

Oplage: 1000 / Fotografie: Peter Cox / Tekst: Diana Wind / Vertaling: Lizzie Kean / Ontwerp: Jan-Pieter Karper
Mede mogelijk gemaakt door: Mondriaan Fonds Amsterdam / K.F. Hein Fonds Utrecht / PUG Utrecht


In het besloten paviljoen in de tuin van het K.F. Hein Fonds in Utrecht werken Marisa Rappard (1979) en Rozemarijn Westerink (1982) van februari tot en met april 2018 intensief aan een wandtekening met een lengte van 10,84 meter en een hoogte van 2,3 meter. Het is een gastvrije en aangename plek om je over te geven aan het experiment dat de kunstenaars samen zijn aangegaan. In de aangrenzende tuin hoor je het klateren van de fontein in de vijver en de vogels met hun getjilp de lente aankondigen.
Rappard en Westerink kwamen op het idee bij het K.F. Hein Fonds een plan in te dienen om een grote wandtekening in het paviljoen te maken toen zij werk uitwisselden bij een atelierbezoek. Zo'n uitwisseling is een intieme gebeurtenis: samen werk van elkaar uitzoeken en een keuze maken uit de tekeningen die de ander beschikbaar stelt. Daarin ontdekten ze bij elkaar de verschillen en overeenkomsten in hun werk en werkwijze. Zij zagen een kans om door samenwerking zich verder te ontwikkelen.

Rappard en Westerink noemen het samenwerkingsproject Getij, een pleidooi voor het toelaten van het onvoorspelbare en het onverwachte. De spanning en meerwaarde in het proces van samenwerking zit voor hen in de wisselwerking van het loslaten om de ander toe te laten en toch bij jezelf te blijven met de verwachting dat je daardoor zelf weer nieuwe stappen kunt zetten.
Een overeenkomst in de manier van werken waarin de kunstenaars elkaar herkenden is dat ze haast bezeten doortekenen tot het niet verder kan en er daarbij naar streven de tekening uit de hand te laten lopen. Ook inhoudelijk heeft het werk van de kunstenaars een belangrijke overeenkomst; bij beide is er in de tekeningen sprake van een mysterieuze lading.

Bij Rappard zie je in een wirwar van lijnen en golven ruimtes ontstaan waarin je kunt verdwijnen en in een parallelle wereld kunt belanden. Zij meet zich tijdens het tekenen de rol aan van een ziener die door de tijd kijkt. Haar ongebreidelde lijnenstroom doet denken aan een eindeloze opeenvolging van verborgen gebeurtenissen.
De tuinen van Westerink zijn zo intens donker dat elk stukje wit in een magisch licht lijkt te transformeren. In sommige delen zorgt dat voor een haast unheimisch gevoel. Haar tekeningen ontstaan vanuit een verlangen naar het onmogelijke, namelijk het vasthouden van een bepaald moment, plek of tijd, zodat deze een opnieuw geconstrueerde werkelijkheid lijken weer te geven.

Een duidelijk verschil in hun werk is dat Rappard haar tekeningen opbouwt vanuit lichte kleurenvlakken en lijnstructuren, terwijl de tekeningen van Westerink voornamelijk figuratief en diep zwart doorwerkt zijn. Deze verschillen en overeenkomsten zijn duidelijk waarneembaar in de wandtekening die in de afgelopen maanden is ontstaan: zowel de eigen signatuur als het volledig samengaan van die van hen beiden is waarneembaar. De intentie om naar elkaar toe te bewegen, bij jezelf te blijven en nieuwe stappen te zetten is over de volledige lengte van de wand aanwezig. De kunstenaars hebben letterlijk naar elkaar toe gewerkt: Westerink vanuit de linkerwand en Rappard vanaf de rechterzijde. De linkerwand van de tekening is sterk figuratief en donker, terwijl de rechterzijde van de lange wand abstract en licht is. Waar Westerink de tekening met een rigoureus gebaar doortrekt in de richting van Rappard, trekt Rappard de tekening open met haar abstracte patronen. Alsof de zwaartekracht die het getij aanstuurt hier letterlijk zijn invloed heeft laten gelden.

In het midden van de tekening komen beide kunstenaars samen. Hier is een symbiose ontstaan die de mysterieuze kant in het werk van beide kunstenaars sterk naar voren haalt. Er zijn tal van plekken waar je als toeschouwer in de tekening bijna letterlijk verdwijnt, zoals het pad dat langs de naaldbomen loopt en verdwijnt in de golven die uit het onderliggende zwembad naar boven komen.
Hier en daar komen uit de abstracte rasterpatronen van Rappard caravans tevoorschijn van Westerink, die als echo's op een andere plek opnieuw verschijnen in een meer geabstraheerde vorm. Een prachtig spel van opbouw en afbraak, net zoals een constant stijgend en dalend getij.

In de drie maanden waarin Rappard en Westerink hebben samengewerkt is een spannende en indrukwekkende wandtekening ontstaan die van tijdelijke aard is, maar vereeuwigd is in deze leporello. Wat blijft is datgene wat de kunstenaars van elkaar hebben geleerd door de ruimte die zij elkaar hebben gegeven en de openheid waarmee zij deze samenwerking zijn aangegaan.


EN
Passage to a different reality

From: Tide (Getij) / a publication by Marisa Rappard and Rozemarijn Westerink

Editions: 1000 / Photography: Peter Cox / Text: Diana Wind / Translation: Lizzie Kean / Design: Jan-Pieter Karper
Made possible with the generous support of: Mondriaan Fonds Amsterdam / K.F. Hein Fonds Utrecht / PUG Utrecht


The pavilion enclosed in the K.F. Hein Foundation's garden in Utrecht has been the scene of an intensive collaboration between artists Marisa Rappard (1979) and Rozemarijn Westerink (1982) from February until April 2018. The result is a large mural, 10.84 metres long and 2.3 metres high. The location is an inviting and pleasing setting in which to immerse oneself in the experiment they conducted. From the adjacent garden you can hear the sound of water splashing in the fountain and the birds chirping that spring has arrived.
It was an exchange of work during a studio visit that gave Rappard and Westerink the idea of submitting a plan to the K. F. Hein Foundation for the making of a large mural in the pavilion. Such an exchange involves choosing from each other's work and making a selection from the drawings the other artist makes available: it's an intimate experience. During that process, they discovered the differences and similarities in their work and methods. They felt there was an opportunity there for furthering their individual development through collaboration.

Rappard and Westerink call the project Tide (Getij), an appeal for openness to all that is unpredictable and unexpected. What they find exciting and valuable in the collaboration process is the interaction between letting go in order to let the other person in, while still staying true to yourself, and the expectation of being able to move on personally.
One similarity between the artists' working methods is that they both continue to draw, almost as if possessed, until it's no longer possible, in an attempt to let the drawing get out of hand. There's also an important similarity between the content of the artists' work: both have mysterious connotations in their drawings.

In Rappard's work, you see open spaces occur in a tangle of lines and waves, spaces in which you can disappear only to appear in a parallel world. While drawing, she takes on the role of a visionary looking through time. Her unbridled flow of lines reminds one of an endless stream of concealed incidents.
Westerink's drawings of gardens are so intensely dark that every sliver of white seems to transform into magical light. That gives an almost disquieting feeling in some parts. Her drawings stem from a yearning for the impossible; holding on to certain moments, places or times so that they seem to show a reconstructed reality.

One clear difference in their work is that Rappard builds up her drawings from areas of light colours and line structures, while Westerink's drawings are mainly figurative and worked in deep black. These similarities and differences can be clearly seen in the mural that has come to fruition in the last months: both the individual signatures and their total merging are visible. The intention of moving towards each other, while staying true to themselves and developing personally is present along the entire wall. The artists literally worked towards each other: Westerink from the left and Rappard from the right. The left side of the wall is strongly figurative and dark, while the right side is abstract and light. Westerink pushes the drawing on towards Rappard with a rigorous gesture and Rappard's abstract patterns break the drawing open. It is as if the gravity that affects the tides has literally had an effect here.

The two artists come together in the middle of the drawing. A symbiosis occurs which strongly emphasises the mysterious aspect of both artists' work. There are many points at which you, the spectator, almost actually disappear into the drawing, like when the path following the pine trees disappears into the waves coming up from the underlying swimming pool. Caravans drawn by Westerink emerge here and there from Rappard's abstract lattice patterns and reappear as an echo somewhere else, in a more abstracted form. It's a beautiful game of assembly and disassembly, just as the constant rise and fall of a tide.

An exciting and impressive mural has been created during the three months that Rappard and Westerink collaborated. The work is temporary in nature, but has been captured forever in this leporello. What does endure is that which the artists have learned from each other, through the scope they have given each other and the openness with which they embraced this collaboration.


Read less >>

Een voortdurend komen en gaan
Marjolein Sponselee / kM 106 / NL

>> Read more...

NL
Een voortdurend komen en gaan


Drie maanden lang werkten Marisa Rappard (1979) en Rozemarijn Westerink (1982) aan een gezamenlijke tekening in het tuinatelier van het K.F. Hein Fonds. Langzaam vulde de muur zich met kleurvlakken, arceringen, streepjes, golven, bomen en bloemen. Na een aarzelend begin elk aan een kant van de ruimte kwamen de twee kunstenaars steeds dichter bij elkaar en raakte hun werk meer en meer met elkaar verweven. Ze veegden stukken van elkaars tekening weg en gingen eroverheen. Een spannend proces waarbij beiden veel nieuwe inspiratie vonden.

Rappard en Westerink kwamen elkaar wel eens tegen op een gezamenlijke tentoonstelling. Niet zo vreemd want hun werk heeft eenzelfde soort intensiteit. De tekeningen zijn vol, vol van lijnen en associaties die over elkaar heen buitelen. Zowel op papier als ruimtelijk.
Westerink is gefascineerd door herinneringen en hoe deze werken. Ze combineert beelden uit haar herinnering met thema's uit het collectieve geheugen en mengt ze tot een duister sprookje. Als ze een muurtekening maakt, overwoekert deze moeiteloos de ruimte. De laatste jaren concentreert Westerink zich op het thema tuin. Ze tekent plekken waar ze ooit is geweest. Steeds een andere hoek, of fragment van een denkbeeldige tuin; neergezet in een eindeloze hoeveelheid streepjes en arceringen. Een melancholische plek om in weg te dromen, die door de intensiteit en het ontbreken van kleur iets meditatiefs heeft. Geen echt bestaande plek, meer als een gedachte in je hoofd.
De werken van Rappard zijn veel lichter van toon, in kleur en abstract. Maar het arbeidsintensieve, haast dwangmatige karakter is hetzelfde. Het formaat varieert van grote vellen, dicht betekend met verschillende kleuren, lijnen en vormen, tot kleinere tekeningen met één figuur of scène. Opmerkelijk is de ruimtelijke component van de tekening. Ze hangen aan de muur, aan het plafond, liggen op de vloer en komen de ruimte in op houten latjes die zich als extra lijnen in het werk voegen. Figuratie is de laatste jaren verdwenen, maar in de wirwar van lijnen herkent je oog wel fragmenten of sporen. Ondanks de verschillende lagen lijkt er nauwelijks sprake van voor- en achtergrond, ze vallen samen. En toch kun je in- en uitzoomen. Zo ontstaat een abstract landschap waar je doorheen kunt dwalen. Evenals bij Westerink lijkt het werk vooral over een mentale ruimte te gaan.
In het Tuinatelier komen beide werkwijzen samen. Het resultaat is verbluffend. In een voortdurend duet wisselen natuurlijke, verhalende motieven en abstracte vormen elkaar af tot een levendig geheel waar je oog in blijft ronddwalen en steeds andere details opvallen. Aan een kant van de ruimte overheerst de tuin van Westerink, maar de lagen van Rappard schemeren er doorheen. Aan de andere kant is het lichter en dwarrelen te patronen van Rappard met af en toe een en tuinelement ertussen. De dynamiek van de samenwerking is voelbaar in het eindresultaat. Je ziet hoe ze elkaar over en weer hebben geïnspireerd en uitgedaagd. Natuurlijke lijnen en hoekige vormen wisselen elkaar af, als in een visueel gesprek. Het zou de binnenkant van je hoofd kunnen zijn waarin allerlei gedachten en herinneringen door elkaar heen dwarrelen en af en toe ergens op focussen.

Ritme
Het idee voor de samenwerking ontstond toen Westerink op atelierbezoek was bij Rappard. Ze herkenden elkaars werkwijze: eindeloos lijntjes trekken en doortekenen. Ze ruilden een werk en kwamen op het idee ook verder te gaan in de uitwisseling en samen een tekening te maken. Dat gebeurde afgelopen maanden in het tuinatelier. Een smalle ruimte met twee ramen in de tuin van het K.F. Hein Fonds. Een lange en een korte wand vormden het onbeschreven blad. Er was geen concrete schets vooraf, wel waren ze het eens dat het over ritme moest gaan. Zo ontwikkelden ze hun concept Getij. En ze maakten de afspraak dat ze elkaars werk mochten veranderen of wegvegen. Het ritme kwam, zowel in het beeld als in het werkproces. Op de eerste dag begonnen ze samen, elk aan een kant van de ruimte. Het lukte echter niet vaak om tegelijk in het atelier te zijn. Zo werkten ze ook vaak alleen, om en om. Dat pakte goed uit. Ze voelden zich vrijer om over elkaars werk heen te gaan. Soms was dat het spannend. Op een dag had Westerink een groot vlak zwart gemaakt met schoolbordverf. Voor Rappard een uitdaging om daar op te reageren. Hoe zich dat weer toe te eigenen? Zo ging de uitwisseling voort, in een voortdurend ritme van reageren op elkaar en zoeken naar een manier om losse elementen te verbinden.

Tijdens het proces kwamen ook de verschillen boven. De een werkt fragmentarisch, de ander zoekt naar samenhang en grote lijnen. Het werd een verrijkende ervaring, waarin ze veel van elkaar leerden. De dagen dat ze samen waren wisselden ze ervaringen en technieken uit. Westerink leerde in lagen werken met verschillende materialen. Rappard werkte voor het eerst met houtskool op de muur. Rappard: "De gesprekken over het werk en hoe en waarom je dingen doet waren heel waardevol. Rozemarijn werkt met een totaalbeeld, ik ben altijd bezig met dingen uit elkaar trekken en fragmenteren." Twee stijlen die aan elkaar gewaagd zijn. Westerink haalde soms hele stukken van de tekening weg en dat leverde energie op. Rappard durfde daardoor ook meer risico te nemen. De samenwerking werkte wederzijds als een katalysator om nieuwe dingen en materialen te proberen. Zo kwamen er vele lagen over elkaar heen die de tekening dichtheid en samenhang geven. "De grote vormen zijn sowieso meer van mij," zegt Westerink. "Ik zoek naar verbinding, het geheel. Ik vond die lange wand lastig, was bang dat het saai zou worden. Met grote vormen probeer ik dat te voorkomen." Naast het zwarte vlak zorgt bijvoorbeeld ook een lange muur voor een grote lijn in de tekening en opvallend zijn de ronde stenen die Westerink tekende. Vaste elementen uit haar tuinthema komen ook hier terug: coniferen, een muur, een zwembad, een caravan. Kleine bloemen en gras in oneindig veel korte rechte streepjes. De parallel met de tuin naast het atelier waar ook coniferen staan en een vijver is, is een mooie bonus.

Kleine caravan
Het formaat van de muur maakt dat de tekening zich laat lezen als een ontwikkeling. De korte wand achteraan is donker en duidelijk het domein van Westerink, al schemeren er veel lagen van Rappard doorheen. Het begin van de lange wand, naast de ingang is lichter, met nog veel wit en verschillende patronen van dwarrelende lijnen. Daar is Rappard begonnen. In het midden vloeit het steeds meer in elkaar over. Een lichter gedeelte in het midden vinden ze allebei mooi en goed gelukt in de samenwerking. Er staat een kleine caravan, die komt vaker in het werk van Westerink voor. "Marisa heeft het transparanter gemaakt. Het is heel licht gebleven, ik zou het zwaarder hebben aangezet", zegt ze. Zo wisselen zware en lichte delen elkaar af in een perfect evenwicht. Een duet waarin soms de een en soms de ander op de voorgrond treedt. Hoe langer je naar de tekening kijkt hoe meer je er in gaat ontdekken. Het is aangenaam hoe je er in rond kunt dwalen. Als een landschap waar je in wandelt. Sommige lijnen worden beekjes of poeltjes water, of wolken, watervallen. Er komen allerlei associaties voorbij en zo dwaalt je blik verder. Getij is een passende titel. Er zit herhaling in maar toch is geen enkele golf hetzelfde.

Er verschijnt een kleine publicatie over de samenwerking. Deze is voor €1,- + verzendkosten per mail te bestellen via: marisarappard@hotmail.com of mail@rozemarijnwesterink.com.


Read less >>

Traumraum
Nanette Kraaikamp / Drawing Centre Diepenheim / NL

>> Read more...

NL
Traumraum


Een tentoonstelling met werk van Karen Sargsyan, Lenneke van der Goot, Rozemarijn Westerink, Sebastiaan Schlicher, Charlotte Schleiffert en Stan Klamer.

Toen ik begon na te denken over deze titel Traumraum, dat Droomruimte betekent, en in het bijzonder over de definitie van het woord droom, vroeg ik me af wat een droom nu eigenlijk is. We weten natuurlijk allemaal wel wat dromen zijn, maar echt makkelijk te definiëren of onder een noemer te vatten zijn dromen niet.
In de eerste plaats is het iets dat wij mensen allemaal gemeen hebben en iedere nacht wel vier tot vijf keer schijnen te doen. We dromen weg in een visueel verhaal of flarden van verhalen. Hierover hebben we geen of nauwelijks controle. Onze innerlijke fantasie gaat met ons aan de haal en bepaalt wat we te zien krijgen. Logica, zoals die in de uiterlijke wereld geldt, is vaker niet dan wel aan de orde. Er kunnen de gekste dingen gebeuren, die totaal onmogelijk zijn in de werkelijkheid, maar die in onze droom als een waarheid worden geaccepteerd en evenzo beleeft.

Dromen zijn in dat opzicht een parallelle gelijkwaardige realiteit, een realiteit die op dat moment, namelijk wanneer we slapen, net zo echt is als de realiteit die we ervaren wanneer we wakker zijn. Of we nu vliegen, alles in roze beleven of in een totaal onbegrijpelijke taal communiceren, alles is mogelijk en is op dat moment zoals het is.
Pas als we wakker zijn, ontstaat de behoefte dit alles te duiden en te verklaren. In de oudheid verklaarde men de droom dikwijls als een boodschap van de goden, of als een voorspelling van iets dat te gebeuren stond in de toekomst. Men dacht vooral dat dromen van spirituele, bovennatuurlijke aard waren.

Pas in 1900 ontstond er een nieuwe kijk op de betekenis en herkomst van de Droom. Toen verklaarde Sigmund Freud dat de droom niet als iets goddelijks, maar als iets persoonlijks gezien moest worden. Dromen zouden wel symbolische boodschappen bevatten maar deze zouden volgens hem afkomstig zijn vanuit ons diepste zelf, namelijk vanuit ons onderbewuste. Ze weerspiegelen volgens hem onze persoonlijke al dan niet gefrustreerde verlangens en driften, die diep zijn weggestopt in ons brein. Zijn volgeling Jung voegde aan dat persoonlijke onderbewuste nog het idee van het collectieve onderbewuste toe. Dat collectieve onbewuste zou bij alle mensen gelijk zijn en bepaalde symbolen of archetypen bevatten, zoals die bijvoorbeeld in sprookjes, mythen en in de folklore te vinden zijn en die bij iedere dromer terugkomen, ongeacht zijn of haar achtergrond en cultuur.
Alhoewel dit bekende theorieën zijn, is niets daarvan bewezen. Tot op de dag van vandaag is wetenschappelijk nog altijd niet helemaal duidelijk waar dromen nu precies vandaan komen en waar ze voor dienen, laat staan of ze iets betekenen.

In ieder geval is Freuds psychoanalytische kijk op de droom voor vele kunstenaars de aanzet geweest om dit gebied van de geest en vooral deze geestestoestand in de kunst volop de ruimte te geven. De koninklijke weg naar het onderbewuste zoals Freud dat noemde, was voor kunstenaars een weg naar een oneindige authentieke innerlijke wereld. En dan denk ik hierbij natuurlijk vooral aan de tijd van Dada en het Surrealisme, waarin het irrationele en de vrije associaties volop aan de orde kwamen.

Nu, een eeuw later, zou je kunnen stellen dat kunst en droom nog altijd onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Ook tegenwoordig zijn er nog steeds veel kunstenaars die fantasievolle, surrealistische werelden creëren. Het lijken vooral beeldend kunstenaars die tekenen die meester zijn in het vertalen van hun dromerige gedachten naar een visueel tastbaar materiaal.
Neem bijvoorbeeld het werk van Rozemarijn Westerink. In haar intieme tekeningen kunnen we verdwalen. Hoewel ze klein zijn, wordt je naar binnen gezogen in een labyrint van lijnen, geen hoekje van het papier is zonder inkt gebleven. Het zijn tekeningen gebaseerd op slechts een specifieke plek in de natuur. Een plek die zij door middel van haar herinneringen opnieuw heeft bezocht en gevisualiseerd op het papier, met telkens een ander resultaat. Veel herkenbare elementen vloeien over in vervreemdende resultaten. Door op zoek te gaan naar het ongrijpbare in haar geest, ontstaan immers telkens nieuwe vormen en associaties. Dit proces kun je bovendien mooi in beweging zien in de getekende animatie die zij van dit zelfde onderwerp maakte.

(…)

Het zal duidelijk zijn dat alle kunstenaars die hier nu exposeren op eigen wijze en eigenwijs een nieuwe beeldende werkelijkheid tekenen. De objectieve werkelijkheid is dan ook niet zozeer afwezig als meer visueel omgevormd tot een geheel dat meer gevoelsmatig dient te worden ondergaan, in een staat waarin controle over wat er te zien is je enigszins wordt ontnomen. Het is een subjectieve realiteit die net zo waardevol is als de zogenaamd objectieve werkelijkheid. Als toeschouwer kun je deze dromen gelukkig juist niet goed beredeneren en niet eenduidig verklaren. Ze zijn enkel sterk visueel aanwezig waardoor je je op een onbewust niveau eens kunt verdiepen in de innerlijke wereld van anderen. Iets dat in mijn ogen vandaag de dag waardevoller is dan ooit. Ik wens u dan ook veel ruimte om te dromen toe.


Read less >>

We have a visitor below
Grete Simkute / H Art Magazine # 142 / NL

>> Read more...

NL
We have a visitor below


Iets dat zo dichtbij en 'eigen' voelt, maar tegelijkertijd op onbereikbare afstand blijft: de Nederlandse kunstenares Rozemarijn Westerink is gefescineerd door het mechanisme van de herinnering.

Haar eerste solo in kunstruimte Spaceburo omvat de serie tekeningen en schilderijen Garden I en II, waarbij Westerink door haar bezochte of bewoonde landschappen, plaatsen en ruimtes verkent en probeert te materialiseren in zwarte inkt of acrylverf.

Het zijn directe en irreversibele materialen waarin de kunstenares in een jachtige beweging het residu van haar verleden wil vangen. Ze stuit echter op de pertinente onmogelijkheid van deze taak en lijdt aldus controleverlies – steeds opnieuw. Wat haar rest is het opbouwen van een reconstructie door het toevoegen of weglaten van lagen, wat resulteert in zwart-witte, subtiel surrealistisch aandoende verzamelingen van allerhande beeldelementen die desalniettemin vertrouwde gevoelens oproepen omwille van hun flirt met het archetypische.

De link met een droom is snel gemaakt: zo geven de schilderijen op fluïde wijze, met uitlopende verfstreken en hintend aan een collageachtige structuur, vorm aan een vaag tuinlandschap met kassen, houten huisjes, kegelvormige coniferen, zwevende muurtjes en stenen paadjes.
De keline inkttekeningen zijn daarentegen nauwkeurige, gedetailleerde composities, waar haast geen centimeter onberoerd blijft en de dichtheid van natuurbeelden een veilige intimiteit genereert. De gelaagdheid van Westerinks herinneringen komt wonderschoon overeen met het transparante tekenmedium, waarbij geen laag van het werkproces onverhuld blijft: de rand van een zwembad doorkruist een struik, een conifeer geeft nog blijk van de structuur van de stenen muur waar hij voor staat. Deze tuin, met zijn geometrische waterval, en molshopen in plaats van water in het zwembad, toont geen mensen, vertelt geen narratief; zijn werkterrein is het gemoed.

Westerink evoceert wonderwel een stemming van het afreizen naar een plaats in je zijn, waar het beschut vertoeven is, een nostalgie naar wat er (bijna) geweest is (maar niet helemaal), de sfeer van het niet volledig kunnen plaatsen van een herkenbaarheid die er wel degelijk is. Zodoende is het werk niet zo zeer 'donker' alswel 'duister': het is een voorstelling van de mysterieuze flarden en verborgen dimensies van de nevelige reis die de kunstenares maakt door de krochten van haar geest, grijpend naar iets wat alles behalve gegrepen wil worden.


Read less >>

Interview
Alexandra Landre / Schloss Ringenberg / NL - D

>> Read more...

NL
Interview


AL: Tijdens deze Stipendiaten-tentoonstelling in Ringenberg laat je drie werken zien: een selectie tekeningen, een muurschildering en een film. Hoe kom je tot de keuze van deze werken of hebben ze een bepaalde samenhang?

RW: Het verbindende element is de manier van werken. Ik begin meestal met een tekening en gebruik deze techniek in andere media zoals film en installaties. Een tekening is vrij klein en toont meestal een complex beeld, zodat er de behoefte bestaat om te kijken hoe die in andere dimensies gaat werken en om het groter te maken. Daarbij gaat het niet alleen om een stuk groter papier, maar om de hele ruimte erbij te betrekken. Dan wordt het een fysieke beleving, voor de maker en voor de toeschouwer. Het gaat mij om mijn fysieke handeling, het gebaar.

AL: Zou ik kunnen zeggen dat je met je werk in Ringenberg de grenzen van het tekenen opzoekt?

RW: Ja inderdaad. Zo laat de film bijvoorbeeld een soort tekenproces zien. Het werd met analoge stop-motion techniek opgenomen en het filmbeeld is ook een beetje wankel. De verschillende stapjes maken de bewegingen goed zichtbaar. Daarnaast produceer ik uit lagen opgebouwd geluid. Ik maak de tekening in één keer, een 'gebaar' dat irreversibel is. De film toont de opbouw van de tekening, bestaand uit een onomkeerbaar proces. Het gaat tenslotte meer over het tekenen dan over het fenomeen film of geluid. Er ontstaat een wereld waarin de tekening, in tegenstelling tot op het platte vlak, helemaal gaat leven, en er ontstaat een wereld waar de kijker kan toetreden.

AL: Het gebruik van verschillende media is ook een verschuiving in schaal die het publiek telkens weer vraagt om anders te kijken. Speel je bewust met de manier van kijken?

RW: Ja, die blik leid ik. Bij een muurschildering bijvoorbeeld zie je niet alles in een oogopslag, maar het komt op je af. Het is belangrijk dat je niet alles in één keer kunt zien. Dit geldt met name voor de muurschildering, doordat je in de ruimte beweegt. Maar dit geldt ook voor de film en heeft hier te maken met de fragmentarische beeldopbouw en de projectie in de ruimte.

AL: Zou je kunnen zeggen dat het eigenlijk om momentopnames gaat?

RW: Ja, ik maak momentopnames met mijn werk. Het behelst een soort onmogelijkheid, namelijk een moment vast te houden. Zo'n beleving van het moment is altijd persoonlijk en subjectief.

AL: Ligt deze onmogelijkheid wellicht ook in de dichtheid van beelden? De visuele elementen zijn erg verschillend en sommige zijn herkenbaar, roepen associaties met beelden uit media of boeken op. Met zo'n breed visueel vocabulaire vraag ik me af hoe je een keuze maakt. Heb je een beginpunt in de opbouw van je beelden?

RW: Ik begin bij het vastleggen van een moment. Dit moment speelt zich vaak af in het geheugen en deze herinnering is subjectief. Bij veel van deze herinneringen kun je niet helemaal terughalen hoe het er precies uitzag. Neem bijvoorbeeld een droom: je herkent iets, maar je weet niet precies waar je bent. Als je er door te tekenen achter wilt komen, ontstaat tegelijkertijd een vertrouwde, maar ook een vreemde situatie in dezelfde ruimte. Ik probeer verder te gaan dan het persoonlijke en zoek vervolgens naar externe beelden.

AL: En waarin zie je dan de connectie tussen de interne en externe beelden?

RW: Door een kruising te maken tussen iets collectiefs en iets persoonlijks ontstaat een heel vervreemdend effect. Een symbool heeft al collectieve betekenis vanuit zichzelf. Op het moment dat je ermee speelt, blijkt dit heel gevoelig. Ik ben ook op zoek naar betekenislagen waar ik geen grip meer op kan hebben. Het verliezen van de controle is op de een of andere manier onvermijdelijk als het om herinneringen gaat. Het is een heel interessant proces als de betekenis los komt te staan van een beeld.

AL: De betekenis lijkt te zweven. De onmogelijkheid om dingen volledig te bevatten lijkt een heel menselijk en fundamenteel dilemma. Is dit een soort thema of onderwerp dat ook op andere manieren in jouw werk terug komt?

RW: In mijn werk maak ik gebruik van een precies getekende voorstelling en directe tekenbewegingen er overheen. Ik combineer lagen, iets heel persoonlijks, een gevoel en iets algemeens, een representatie. Het is enerzijds persoonlijk, maar heeft anderzijds ook een relatie met de wereld om mij heen. De combinatie van beelden en de techniek is voor mij een manier om iets te construeren en het tegelijkertijd weer af te breken.

AL: Wat bedoel je met construeren en tegelijkertijd weer af te breken?

RW: Ik maak een beeld of voorstelling en die kan beladen zijn. Dit breek ik door er een beweging overheen te maken of ik bouw het op, door er versieringen aan toe te voegen. Het is een soort ontkenning van de eigenschappen van het beeld. Hierdoor speel ik met de lading, zet de verschillen op scherp en maak de betekenis fluïde. Tenslotte speelt de vraag waar zich het kruispunt van collectiviteit en persoonlijkheid bevindt, zoals bij voorbeeld archetypische dromen.

AL : Heeft de plek van de residentie nog een bepaalde invloed op jou of op je werk?

RW: Het is een fijne plek en een nieuwe situatie, dat genereert veel nieuwe indrukken die zich in mijn geheugen nestelen. Deze sfeer aan beelden, zal zich op een of ander moment in een nieuw werk of nieuwe belevingswereld gaan materialiseren.


DE
Im Gesprach mit Rozemarijn Westerink


AL: Während der Stipendiatenausstellung in Ringenberg zeigst du Arbeiten in drei verschiedenen Medien: Zeichnungen, eine Wandmalerei und einen Film. Warum war es dir wichtig, diese Medienbandbreite zu präsentieren – und stehen die Arbeiten selbst in einem bestimmten Zusammenhang?

RW: Das verbindende Element ist die Arbeitsweise. Ich beginne zumeist mit einer Zeichnung und bediene mich dieser Technik dann auch in anderen Medien wie Film oder Installationen. Meine Zeichnungen haben oft ein festgelegtes Format: Sie sind relativ klein und zeigen dennoch ein komplexes Bild. Daraus entsteht der Wunsch, diese verdichtete Komplexität in andere Maßstäbe zu übertragen – und zu beobachten, was dann mit ihnen geschieht. Damit meine ich nicht ein größeres Stück Papier. Vielmehr zielt es darauf, den ganzen Raum miteinzubeziehen. Dann kann die Zeichnung ein physisches Erlebnis werden, sowohl für den Künstler als auch für den Betrachter. Es geht mir um eine Handlung, um die Geste.

AL: Könnte ich also sagen, dass du mit deiner Arbeit in Ringenberg veranschaulichst, was mit Zeichnung alles möglich ist?

RW: Ja, das stimmt. So zeigt der Film etwa eine Art Zeichnungsprozess. Er ist in analoger Stop-motion Technik aufgenommen und das Filmbild flimmert ein wenig. Eine Reihe verschiedener kleiner Schritte macht den Prozess der Bewegungen gut sichtbar. Hinzu tritt eine Geräuschkuklisse aus sich überlagernden Tönen. Die Zeichnung selbst entsteht in einem Flow, al seine Handlung ohne Unterbrechung – das heißt, ich kann nichts ungeschehen machen. Der Film zeigt genau diesen Aufbau der Zeichnung als einen Prozess, den man auch nicht mehr zurücknehmen kann. Aber letztentlich geht es mehr um das Zeichnen als um Film oder Ton. Es entsteht eine Welt, in der die Zeichnung nicht länger flach auf dem Papier liegt, sondern verlebendigt einen Raum einnimmt und zugleich beschreibt, zu dem auch der Betrachter Zutritt hat.

AL: Sich unterschiedlicher Medien zu bedienen, bedingt aber immer auch eine Verschiebung der Dimensionen. Damit ist das Publikum immer wieder aufgefordert, auf andere Weise zu schauen. Spielst du bewusst mit dieser Veränderung der Perspektiven und Betrachtungsweisen?

RW: Ja, das könnte man so sagen. Bei einer Wandmalerei beispielsweise siehst du im ersten Moment nicht alles, sondern sie kommt dir entgegen. Es ist schon wichtig, dass sie sich nicht auf den ersten Blick in ihrer Komplexität und in ihren Details erfassen lässt. Um so meht gilt das für die Wandmalerei, weil man sic him Raum bewegt. Im übertragenen Sinn trifft das aber auch auf die Filme zu, bewirkt durch den fragmentarischen Bildaufbau und die Projektion in den Raum hinein.

AL: Könnte ich daraus schließen, dass es eigentlich um Momentaufnahmen geht?

RW: Durchaus – ich mache Momentaufnahmen mit meinen Arbeiten. Darin liegt eine Art Unmöglichkeit: einen Moment festzuhalten. Zugleich ist das Erleben des Moments immer sehr persönlich und subjektiv.

AL: Liegt diese Unmöglichkeit vielleicht auch in der Bilddichte? Die visuellen Elemente sind sehr verschieden. Einige sind erkennbar oder vertraut und rufen Assoziationen zu Bildern aus unseren Alltagsmedien wach. Bei einem so breiten Spektrum frage ich mich, wie du deine Auswahl triffst. Wie beginnst du den Aufbau der Bilder?

RW: Ich start emit der Festlegung eines Augenblicks. Dieser Moment ist rein imaginär und die zu Grunde liegende Erinnerung selbst ist subjektiv. Häufig kann man ja nicht einmal exakt rekonstruieren, wie eine Erinnerung "aussieht". Zum Beispiel ein Traum: Man glaubt, etwas zu erkennen, weiß aber nicht genau, wo man ist. Wenn ich nun versuche, mich im Prozess des Zeichnens dieser Erinnerung anzunähhern, entsteht gleichsam beides: Eine vertraute aber auch eine sonderbar entrückte Situation. In einem nächsten Schritt suche ich dann auch äußeren Bildern als Referenz, einer nicht mehr scharfen Erinnerung.

AL: Worin besteht für dich die Verbindung zwischen den inneren und äußeren Bildern?

RW: Aus der Mischung von Gemeinschaftlichem und Persönlichem entsteht ein bizarrer Effekt der Fremdheit. Ein Symbol an sich hat bereits eine kollektive Bedeutung. Und in dem Moment, in dem man mit ihr spielt, entdeckt man die Fragilität dieser Bedeutung. In meiner eigenen Erinnerung suche ich aber auch nach Bedeutungsebenen, auf die ich keinen Zugriff mehr habe. Der Verlust der Kontrolle ist in gewisser Weise unumgänglich, wenn es um Erinnerungen geht. Für mich ist e simmer wieder ein erstaunlicher Prozess, wenn Bedeutung sich von ihrem ursprünglichen Bild lost und unabhängig wird.

AL: Die Bedeutung scheint zu schweben. Den Zugriff zu verlieren und die Unmöglichkeit, Dinge komplett zu begreifen, ist offenbar ein sehr menschliches und grundlegendes Dilemma. Ist das eine Art wiederkehrendes Thema ode rein zentraler gegenstand in deinen Arbeiten?

RW: Meinen Arbeiten immanent ist beides: Exakt gezeichnete Vorstellungen und eher spontane, gestische Lineaturen, die sich der Kontrolle entziehen. Ich kombiniere Schichten, etwas ganz Persönliches – ein Gefühl – und etwas Allgemeines – eine Darstellung. Damit handelt es sich sowohl um etwas Persönliches, das dann aber nicht länger steuerbar in eine Beziehung zur Umgebung tritt. Allein die Kombination von Bildern und Technik ist für mich eine Notwendigkeit, etwas zu konstruieren und es wieder einzureißen.

AL: Was meinst du genau mit "konstruieren" und gleichzeitig "wieder einzureißen"?

RW: Ich konstruiere ein Bild oder eine Vorstellung und letztere kann sehr bedeutungsschwer sein. Indem ich eine rein gestische Strichführung darüber lege oder etwas hinzufüge, entziehe ich der Vorstellung ihre vermeintliche Erkennbarkeit oder besser: den Bildern ihre Eindeutigkeit. Anders könnte man sagen, dass dieser Prozess von Konstruktion un Dekonstruktion die Eigenschaften eines Bildes offenlegt. Ich spiel emit seiner Bedeutung, hole die Unterschiede hervor und mache die Bedeutung fließend. Wichtig erscheint mir dabei die Frage nach dem Berührungspunkt von kollektieven und persönlichen Bildern wie Vorstellungen, etwa archetypischen Träumen.

AL: Hat der Aufenthalt im Schloss einen benennbaren Einfluß auf dich und deine Arbeit?

RW: Die besondere Lage und die für mich ungewohnte Situation bedingen viele neue Eindrücke, die sich erst einmal in meinem Gedächtnis festgesetzt haben. Es sind Bilder und Atmosphären, die ganz immer in einem bestimmten Moment, auf die eine oder andere Weise in neuen Arbeiten Niederschlag finden werden.


Read less >>

Droom-matroos / Dream-sailor
Bas van den Hurk / artist's book L'Oase / edition 300 / NL - EN

>> Read more...

NL
Droom-matroos


Uit: L'Oase (filmstills) / kunstenaarsboek

Oplage: 300 / Teksten: Bas van den Hurk en Rob van Kranenburg
Mede mogelijk gemaakt door: AKV St. Joost Den Bosch


I will wear my hair long
my hair long, my hair long
an extension from my heart
I will wear my hair long
- uit Dreamtime van The Cult

Rozemarijn droomt. Ze transformeert intieme, individuele dromen tot kunstwerken, tot animatiefilms. Haar dromen zijn plaats van aankomst en vertrek. In haar dromen reist zij en in haar werk neemt zo ons mee op die reizen. Dromen zijn de oudste metgezellen van de mens, ze brengen ons in de trance van het onbewuste. De animaties van Rozemarijn Westerink vertellen verhalen waarin het wonderlijke en onmogelijke een belangrijke rol spelen. Verhalen waarin de waarheid ondergeschikt gemaakt is aan de getoonde kracht van de wonderlijkheden. De animaties laten ons ronddolen in een betoverde wereld waarin wij met een onuitgesproken maar duidelijke bestemming bewegen en waarin zich alle omstandigheden, hoe toevallig ook, in een speciaal voor ons herkenbare vorm voordoen, zodat aan ieder lot een toepasselijk verloop toevalt.
Rozemarijn is een droom-matroos. Als we naar haar werk kijken dromen we terwijl we weten dat we aan het dromen zijn. We maken in haar werk contact met poëzie op een moment waarop poëzie nog maar een kwestie van aanwezigheid en niet van uiting is.

Wat hun picturale middelen betreft spreken haar animaties zo zuiver mogelijk tot de verbeelding zonder te doen denken dat zij eigenlijk voor iets anders - als symbool, als exempel - bedoeld zouden zijn. De werken zijn geen metaforen of symbolen, het zijn ontsnappingen die dat aangename gevoel hebben van eerder ontstaan dan bedacht te zijn. Rozemarijn Westerink schept een animistische wereld waarin alle elementen binnen het werk functioneren als bezielde personages. Niet alleen de zeemeermin, de wolf en de kraai, maar ook de bloemen en het graan, want er is geen verschil tussen wezens en rekwisieten in dit animistische stadium van de poëzie. De emoties die de animaties oproepen refereren aan dat wat vanaf de kindertijd diep in de herinnering is opgeborgen. Het eerste bewustworden van stemming in een landschap bijvoorbeeld, of een uur van de dag, het emotioneel registreren van een lichtval die ineens niet meer een directe indruk maar de echo van een indruk schijnt. Het is wonderlijk hoe deze werken beantwoorden aan die gevoeligheid die niets anders dan de verbeelding als materie heeft. Een pure esthetische gevoeligheid bijna, of, beter nog, een zuivere staat van gevoeligheid. De raadselachtige melancholie van het werk beantwoordt zo aan die melancholie die alleen nog maar stemming, nog niet ervaring of bewustzijn is. Zo ontstaat puur zintuiglijk, door de magie van onbegrepen klanken, het vreemde lied van de vogels en de krekels, zo ontstaat het lage licht dat zo verontrustend door de takken valt en dat men zich meent te herinneren, misschien ook werkelijk herinnert.

En toch is het al een begin van gevoel: want bij deze animaties ontstaat de eerste twijfel aan het happy end. Wij weten niet beter of het moet allemaal weer in orde komen maar iets in ons sputtert misschien voor het eerst obscuur tegen: was het niet mooier zolang het nog droevig was. Verdient een meisje die als zeemeermin door het leven gaat misschien niet beter dan een gewone verloofde, is zij eigenlijk niet gelukkiger met een nachtegaal die in een kooitje leeft? Is de zeemeermin niet méér haar eigenlijke zelf - een zelf dat dat melancholische gevoel draagt – bij een unhappy end?
Want het werk van Rozemarijn Westerink komt niet voort uit het wensdroomgenre. Iets verraderlijks ligt altijd op de loer. Het gaat in dit werk om vage stemmingen en bewegingen nog zonder moraal. Antropomorfischer dan dat vage, onbestemde wordt dit animisme nooit. Ook niet wanneer wij ons als volwassene van de aantrekkingskracht van bepaalde beelden – bijvoorbeeld van een landschap - bewust worden. Het lijkt dan in zijn diepste wezen nog altijd op die ongevormde staat van zijn. En het is het gevoel dat het ondergaan daarvan de kortste weg levert naar een punt waar men anders via een beredeneerde ontleding toch terecht zou komen. Het gevoel voor dit zuiver menselijke is ons als esthetische ontvankelijkheid van het prilste begin gegeven.

Beelden zijn daarbij een met de jaren vervangbare sleutel tot de indrukken die men subjectief nodig heeft en altijd zoeken zal. Het bewonderenswaardige van de animaties van Westerink is dat zij hun karakter van sleutel zo suggestief en met zulke intuïtieve middelen bewaren. Haar animaties gaan van sleutel tot de staat van poëzie tot pure aanwezigheid. Hier heerst geen moeten en geen moraal. Hier is alles onschuld; - zoals het kind is – en niets anders.


EN
Dream-sailor

From: L'Oase (filmstills) / artist's book

Editions: 300 / Texts: Bas van den Hurk and Rob van Kranenburg
Made possible with the generous support of: AKV St. Joost Den Bosch


I will wear my hair long
My hair long, my hair long
an extension from my heart
I will wear my hair long
- from The Cult's Dreamtime


Rozemarijn is dreaming. She transforms intimate, individual dreams into art works, into animation films. Her dreams are venues of arrival and departure. In her dreams she travels and in her work she takes us with her on her travels. Dreams are the oldest companions for people, they bring us in a trance of unconsciousness. The animation films of Rozemarijn Westerink tell tales in which the extraordinary and impossible play an important role. Tales in which truth is made inferior to the shown strength of the extraordinary. The animation films allow us to wander around in an enchanted world in which we move with an unexpressed but clear destination and in which all circumstances, how accidental they might be, occur itself in a special, to us, recognizable form, so that to every destiny befalls an appropriate course.
Rozemarijn is a dream-sailor. When we look at her work, we're dreaming and we know we're in state of dreaming. In her work we make contact with poetry at a moment in which poetry is still a matter of presence and not of expression.

Concerning their painterly resources, her animation films speak to the imagination as purely as possible, without referring to them as if they would be intended for something else – such as a symbol, or an example. The works are no metaphors nor symbols, they are escapes which have that pleasant feeling that they have rather popped up than have been invented.

Rozemarijn Westerink creates an animistic world in which all elements function within the work as inspired personages. Not only the mermaid, the wolf and the crow, but also the flowers and the grain, for there is no difference between beings and properties in this animistic stage of poetry. The emotions recalled by the animation films refer to that what from childhood on has been put away in one's memory. The first awakening of consciousness of atmosphere in a landscape for example, or an hour of the day, the emotional register of a bunch of light which all of a sudden no longer seems a direct impression but the echo of an impression. It is marvellous how this work answers to that sensitivity which has nothing else but imagination as matter. Almost a pure aesthetic sensitivity or, even better, a pure state of sensitivity. The enigmatic melancholy of the work answers in this way to that melancholy which is still only atmosphere, not experience or conscience yet. It creates purely sensual, by the magic of misunderstood sounds, the strange song of the birds and the crickets, it creates a fading light, that this way falls alarmingly through the branches, that one thinks oneself to remember, perhaps also really remembering.

And yet, a beginning of feeling nevertheless is started: because in this animation films, the first doubt to a happy end arises. We do not know better than, in the end, things will work out. But for the first time something in us might sputter obscurely: was it not more beautiful as long as it was still sad? Doesn't a little girl who is living as a mermaid deserve better than an ordinary fiancé? Isn't the mermaid not more her actual self – a self that carries that melancholic feeling – with an unhappy end?
Because the work of Rozemarijn Westerink does not originate from the genre of wish-dream. Something treacherous always lies in wait. This work is about vague atmospheres and movements yet without moral. This animism will never become more anthropomorphic than that vague, which is indefinable. Neither when we, adults, become aware of the attraction of certain images – for example of a landscape. In its deepest form, it still resembles that unformed state of being. And it is the feeling to that experience that provides the shortest way to a point where one would arrive by way of a reasoned analysis anyway. The feeling of this pure humaneness has been given us as aesthetic receptivity of the earliest beginning.

Images, replaceable through the years, are therefore a key to the impressions which one needs subjectively, and which one always will search for. Admirable in the animation films of Westerink is that they keep their character in this suggestive way, and with such intuitive resources. Her animation films move from key to the state of poetry to pure presence. Here nothing has to and no morality dominates. Here all is innocence; - as the child is – and nothing else.


Read less >>

Rozemarijn Westerink
Alied Ottevanger / Buning Brongers Prijzen / NL

>> Read more...

NL
Rozemarijn Westerink


Langzaam, wat schokkkerig en onbeholpen beklimt een dozijntje uitvergrote vlooien een mensenfiguur. Omdat alleen de contouren van hun gepantserde lijven zijn aangegeven blijven de beestjes doorzichtig. Naarmate de doorzichtvlooien echter meer en meer op een kluitje komen te zitten wordt het lijnenpatroon voller en hechter. Tot de kluwen van poten, lijven en lijnen tenslotte bijna dichtgroeit en het arme mensje wordt opgeslokt.

Tekeningen met zwarte inkt en penseel, of pen, zijn op een klassieke manier één voor één opgenomen en vervolgens tot een film gemonteerd. Het afspelen geeft ritme en beweging aan de beelden. De wat Oosters aandoende ambientmusic die eronder is gezet geeft aan het trage verglijden van actie en tijd een licht hypnotiserende uitstraling.

In een ander filmpje ontwikkelen sprinkhanen zich op een even weinig gehaaste wijze tot vampiers. Ze landen in lome sprongen op koppen die ze uiteindelijk op wonderlijke wijze, sierlijk spetterend leegzuigen. De associatie met een in slow motion weergegeven ballet is hier nog groter. Het effect van de bijna stollende beweging en het uitgesponnen geluid op de in wezen weerzinwekkende beelden blijft echter dezelfde. Die is bij beide filmpjes: sussend.

Read less >>








Made possible with the generous support of the Mondriaan Fund Amsterdam

Instagram Facebook

© 2018 Rozemarijn Westerink. All rights reserved.